Mag het pgb eenvoudiger, alstublieft?

Dit artikel verscheen in Zorgvisie magazine nr. 8 2025

Momenteel zijn er 103.000 mensen met een persoonsgebonden budget (pgb), van wie er 15.000 ook werkgever zijn. Zij kunnen dankzij het pgb zelf hun zorgverleners kiezen en hun zorg inkopen. Daarmee stelt het budget veel mensen met een beperking in staat om de regie over hun leven te houden. Het pgb kan vanuit vier verschillende wetten worden verstrekt: de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) ondersteunt mensen die een pgb hebben, zorgt voor uitbetaling aan zorgverleners en adviseert pgb-houders over werkgeverszaken.

Bestuursvoorzitter van de SVB, Diana Starmans: “Het is complex. Er zijn mensen die hun pgb krijgen vanuit verschillende wetten, bijvoorbeeld vanuit de Wmo en de Wlz, en daarvoor zowel bij de gemeente als bij het zorgkantoor moeten zijn. De Wmo en Jeugdwet gaan via de gemeente, maar de uitwerking verschilt. Als iemand verhuist naar een andere gemeente, wordt het nog ingewikkelder.”

Harmoniseren van de wetgeving ligt voor de hand en daar lijkt momenteel de politieke wil ook voor te zijn. Toch gaat dat de SVB niet ver genoeg. Starmans: “Het zou een mooie eerste stap kunnen zijn, maar wat ons betreft is het einddoel één wet. Laat mensen kiezen of ze zorg in natura willen of een pgb. En als ze een pgb kiezen, laat dat zijn via één kanaal, via één wet, via één budget.”

Voor Per Saldo is keuzevrijheid een belangrijk uitgangspunt. Na de indicatiestelling hoort iemand de keuze te krijgen voor zorg in natura of zorg via een pgb. In de praktijk is dat niet altijd zo. Directeur-bestuurder van Per Saldo, Hadewych Cliteur: “We zien aan de ene kant dat mensen willen kiezen voor een pgb en dat die keuze vervolgens wordt ontmoedigd. Aan de andere kant zien we dat mensen die kiezen voor zorg in natura een pgb wordt ‘opgedrongen’ omdat passende zorg in natura niet beschikbaar is. Met als gevolg dat deze groep wordt belast met taken die zij niet willen of kunnen uitvoeren. Daar hebben wij moeite mee.”

Formele en informele zorg

Al die administratie en regeldruk gaat ten koste van de tijd en energie van de pgb-houder. Op dat punt is nog wat te winnen. Voor informele zorgverleners als familie of kennissen is het beleid even streng en complex als voor professionele zorgverleners. Wat bovendien drempelverhogend werkt voor de inzet van informele zorg. Dat kan een stuk eenvoudiger, meent Starmans: “Je zou kunnen nadenken over een duidelijker onderscheid tussen formele en informele zorg. Dat kan door een soort ‘vrijwilligersbijdrage’ voor informele zorgverleners te introduceren, bijvoorbeeld een voucher met een vast bedrag waarover geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Zo’n verantwoordingsvrij bedrag kan werken bij mensen die een beperkte zorgvraag hebben, waarbij de buurvrouw bijvoorbeeld een paar uurtjes per week komt helpen. Dat zou al enorm schelen.”

Meisje in rolstoel vastgehouden door vrouw
Beeld: South_agency/Getty Images/iStock

Arbeidswetgeving

Waar eerst binnen het pgb de nadruk lag op flexibele inzet van het zorgbudget en eigen regie van de budgethouder, komt er steeds meer aandacht voor de rechten van de zorgverlener als werknemer. Dus krijgen pgb-houders als werkgever te maken met wijzigingen in het arbeidsrecht. Niet zelden botst naleving van die regels met de zorgwetgeving. Starmans: “Het feit dat wij de afgelopen jaren een apart team werkgeverszaken van inmiddels twintig medewerkers hebben moeten inrichten, geeft aan hoe de wetgeving steeds ingewikkelder is geworden. Budgethouders met een team van bijvoorbeeld vijftien medewerkers moeten al bijna een hr-medewerker inhuren om alle werkgeverszaken rond ontslag, zwangerschap, ziekte te regelen.”

Zo is de pgb-houder uitgegroeid tot een soort volcontinu zorgbedrijf met alle verplichtingen van dien. En nieuwe wetgeving is alweer in aantocht. De opheffing van de regeling dienstverlening aan huis, noodzaakt budgethouders om ook werkgeverslasten te gaan betalen voor zorgverleners die minder dan vier dagen per week werken, zoals bijvoorbeeld de Werkloosheidsuitkering (WW). De verplichte afdracht van werkgeverspremies moet gebeuren uit het pgb dus blijft er minder geld over voor de zorg.

Compensatiemogelijkheden

Hier was het pgb natuurlijk nooit voor bedoeld. Ophogen van de pgb’s is soms mogelijk maar soms ook helemaal niet en dat heeft weer met die vier verschillende wetten te maken. Voor de Wlz is compensatie voor twee jaar toegezegd. Voor de Wmo en Jeugdwet ligt het eraan wat de gemeente doet: die kan kiezen voor budgetophoging om de WW-rechten te kunnen betalen, of niet. Het laatste nieuws is dat er extra geld komt voor gemeenten dat wordt toegevoegd aan het Gemeentefonds.

Ten slotte is er in de Zvw juridisch helemaal niets mogelijk als financiële tegemoetkoming. Cliteur: “Eigenlijk is de boodschap: ‘Red u er maar mee. Of ga maar onderhandelen met je zorgverleners en verlaag het uurloon met 20 procent.’ Maar dat doet geen recht aan de uitspraak van de Centrale raad van beroep, die juist ging over gelijke rechten, goed werkgeverschap en niet discrimineren.”

Schijnzelfstandigheid

De aanscherping van de controle op de wetgeving rond zzp’ers en schijnzelfstandigheid sinds begin dit jaar blijft ook voor vraagtekens zorgen. Heel veel budgethouders werken met zzp’ers. De opdrachtgever bepaalt hoe het werk wordt verricht of wat de werktijden zijn. Dit is volgens de Belastingdienst al een kenmerk van loondienst en juist bij uitstek de situatie waarin een pgb-houder zich bevindt. Betekent dit dat er sprake is van schijnzelfstandigheid? Helaas geeft de brief van juli van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daar geen duidelijkheid over en dat geeft onrust bij budgethouders.

Dan is er ook nog de wet meer zekerheid flexwerkers die er aan komt. Cliteur: “We gaan stoppen met nul-urencontracten. Dit betekent dat pgb-houders een contract voor een paar uur moeten geven. Stel dat de budgethouder ziek wordt of het zorgmoment om andere redenen niet door kan gaan, dan moet de zorgverlener wel worden uitbetaald. Dus de budgethouder moet in feite betalen voor niet geleverde zorg. Dat is in strijd met de pgb-regeling. Hoe gaan we dat doen?”

Jaarlijkse indicaties

Per Saldo ijvert al tijden voor langere indicaties. Cliteur: ”Jaarlijkse indicaties vormen zowel een enorme tijdverspilling als een onnodige emotionele belasting. Het betekent namelijk dat mensen met een levenslange beperking steeds opnieuw moeten aantonen dat ze een heleboel niet meer kunnen. Het komt echt voor dat aan iemand met een dwarslaesie wordt gevraagd ‘Kunt u echt geen vijf stappen lopen?’. Of dat mensen die blind zijn dat elk jaar weer moeten bewijzen.”

Toch vinden er volop herindicaties plaats. Bijvoorbeeld bij gemeenten die daarmee controle denken te kunnen houden op de pgb’s. Niet alleen op de hoeveelheid zorg en het budget, maar ook op de omvang van de zorg. Geregeld wordt er gesteggeld over de vraag of het pgb uit bijvoorbeeld de Zvw moet komen of toch beter uit de Wmo. Wat uiteindelijk neerkomt op wie de verstrekker is van het pgb-geld. Cliteur: “Iedere keer die afweging, terwijl iemand het jaar daarvoor precies dezelfde discussie heeft doorlopen met precies dezelfde uitkomst. Het vertrouwen moet terug: als iemand aantoonbaar een beperking heeft waar hij niet beter van wordt, ga hem dan niet pesten door steeds weer te vragen of hij niet toch iets meer kan.”

Eén loket

Per Saldo zou dan ook net als de SVB heel graag één loket voor alle soorten pgb’s willen. Cliteur: “Het zou het zoveel gemakkelijker maken voor budgethouders als er meer uniformiteit zou zijn in de uitvoering en er één loket was dat toegang biedt tot welke hulpvraag je ook maar hebt, levenslang en levensbreed.”

Bij dat ene loket kijkt men dan integraal naar alle zorg-, ondersteunings-, en voorzieningsaanvragen en bepaalt men de verantwoordelijke zorgdomeinen. Vervolgens wordt de toekenning en beschikking door de juiste financier geregeld. Cliteur: “En er is nog een voordeel: één loket zal in veel gevallen tot een doelmatigere inzet van zorggeld leiden omdat het transparanter wordt welke verstrekker de zorg- en ondersteuningsvragen invult.”

Dit artikel verscheen in Zorgvisie magazine nr. 8 2025